Overzicht

Homologatieverzoek niet in behandeling genomen

Homologatieverzoek niet in behandeling genomen

Door gezondheidsproblemen is een kweker van hortensiabloemen genoodzaakt om te stoppen met ondernemen. Om de onderneming gecontroleerd af te wikkelen is een liquidatieakkoord aangeboden aan de schuldeisers. Eén klasse heeft tegen het akkoord gestemd, vandaar dat de onderneming de rechtbank heeft verzocht om het akkoord te homologeren. Omdat niet aan formele vereisten is voldaan, wordt de zaak echter niet inhoudelijk behandeld.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Meld u aan om de volledige video te bekijken!

Bekijk volledige video

Gelukt!

je wordt automatisch doorverwezen naar de video

Oeps! Er is iets misgegaan bij het versturen van dit formulier.

Het akkoord

Op 1 oktober 2021 wordt gestopt met ondernemen en besloten om de 90.000 hortensiaplanten die in de kassen aanwezig waren te verkopen. Aangezien de bank pandrechten heeft op alle voorraden, vorderingen en planten, komt de verkoopopbrengst ten gunste van de bank en werd zodoende de openstaande schuld verlaagd.

De onderneming heeft de heer Koks verzocht om toezicht te houden op en te assisteren bij de totstandkoming van het liquidatieakkoord. Uit het onderzoek van de heer Koks blijkt dat de onderneming en haar vennoten niets waardevols bezitten. Het enige bezit van waarde is een vordering van € 56.035,04 op bloemenveilig Royal Flora Holland. Het akkoord komt er dan ook op neer dat deze vordering wordt verdeeld onder de schuldeisers. De bank zal echter niets ontvangen, omdat haar vordering flink is afgenomen terwijl de vordering van de overige schuldeisers juist zijn toegenomen.

De bank heeft echter pandrecht op de vordering op Royal Flora Holland. Het pandrecht staat er niet aan in de weg dat de onderneming afstand doet van de vordering en de vordering laat storten op de derdengeldrekening van de heer Koks om de nakoming van het akkoord te waarborgen. Dit kan beschouwd worden als een paulianeuze handeling, maar zal de bank, volgens de onderneming, niet benadelen. De onderneming had zonder deze handeling niet over het geld kunnen beschikken en het akkoord kunnen aanbieden, waardoor faillissement een feit zal zijn. Bij een faillissement zouden de andere schuldeisers een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad hebben op de bank omdat de bank niet heeft voldaan aan de levering van diensten die noodzakelijk waren om de executieopbrengst te realiseren. De schuldeisers hebben aangegeven dat zij afstand zouden doen van de vordering (€ 94.987,48) als een akkoord bereikt wordt. De bank is het hier echter niet mee eens en heeft tegen het akkoord gestemd. Zij is van mening dat zij beter af is in het geval van faillissement omdat zij gewoon aanspraak kan maken op de vordering aan Royal Flora Holland.

Geen voorstemmende “in the money” klasse

Een homologatieverzoek kan worden ingediend als tenminste één voorstemmende klasse een uitkering tegemoet kan zien in het geval van faillissement (“in the money”
). De bank heeft niet met het akkoord ingestemd. Andere klassen zullen in het geval van faillissement geen uitkering ontvangen. Royal Flora Holland is namelijk nog steeds van mening dat de bank, als pandhouder, recht heeft op de vordering.

Ook de belastingdienst kan niet als “in the money” klasse worden gekwalificeerd. De onderneming heeft namelijk een vaststellingsovereenkomst gesloten met haar verhuurder. De verhuurder heeft hierdoor het eigendom over de resterende planten gekregen. Het bodemrecht over de opbrengst van de nog resterende planten is hierdoor komen te vervallen. Gelet op bovenstaande kan het verzoek van de onderneming niet inhoudelijk worden behandeld geen “in the money” klasse voor het akkoord heeft gestemd.

Beoordeling van het akkoord

Schuldeisers moeten in staat worden gesteld te beoordelen of een gecontroleerde afwikkeling via WHOA-akkoord de voorkeur heeft boven een faillissement. In deze zaak is dat niet meer mogelijk omdat de onderneming zelfstandig en zonder enige vorm van controle tot afwikkeling van de onderneming is overgegaan door de verkoop van haar actief en het maken en uitvoeren van afspraken. De onderneming heeft met de opbrengst hiervan selectief schuldeisers betaald. Hierdoor kunnen de schuldeisers geen vergelijking meer maken met een eventueel faillissementssituatie omdat alleen nog de vordering van Royal Flora Holland vereffent kan worden. Dit is in strijd met de faillissementswet en de WHOA.

Conclusie

De rechtbank zal een verzoek tot homologatie van een WHOA-akkoord niet in behandeling nemen als blijkt dat geen “in the money” klasse voor het akkoord heeft gestemd. Daarnaast is het van belang dat het akkoord op een zodanig moment wordt aangeboden, dat het voor schuldeisers nog mogelijk is om een vergelijking te maken tussen een afwikkeling bij faillissement of een gecontroleerde afwikkeling via de WHOA en te kunnen bepalen welke situatie voor hen de voorkeur heeft.