Overzicht

Aanvullende voorziening op afkoelingsperiode afgewezen

Aanvullende voorziening op afkoelingsperiode afgewezen

De onderneming in deze zaak is hard getroffen door de coronapandemie. Om faillissement te voorkomen is door diverse partijen uitstel van betaling verleend, een BMKB-krediet aangetrokken en overheidssteun ontvangen. Echter moeten verdere saneringsmaatregelen getroffen worden om de onderneming overeind te houden. Een afkoelingsperiode is hierbij noodzakelijk, doordat de angst bestaat dat de Rabobank haar pandrecht verder zal innen. Naast een afkoelingsperiode wordt de rechtbank verzocht om de bevoegdheden van de Rabobank te beperken. Dit verzoek wordt echter door de rechtbank afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.
Huidige situatie

In deze zaak is de omzet van de onderneming vrijwel geheel weggevallen als gevolg van de coronapandemie. Om faillissement te voorkomen, heeft de onderneming van Rabobank een BMKB-krediet verkregen van €375.000,- onder het vestigen van aanvullende zekerheden: een borgtocht van €37.500,- en een staatsgarantie van €281.250,-. Ook heeft de onderneming aanspraak gemaakt op diverse steunmaatregelen van de Nederlandse overheid. Daarmee is een belastingschuld ontstaan van €262.000,-.  Tot slot is uitstel van betaling verleend door zowel de Belastingdienst als de Rabobank en diverse leasemaatschappijen. Naast deze maatregelen is het saneren van schulden noodzakelijk om toekomstig faillissement te voorkomen.

Met de betrokken leasemaatschappijen is afgesproken om de looptijd van de lopende contracten te verlengen, waarbij aflossingen en/of leasetermijnen zullen worden hervat naar gelang van de gerealiseerde omzet. Echter heeft Rabo Lease B.V. geen medewerking verleend aan de voorgestelde regeling. Daarnaast heeft Rabobank maatregelen genomen naar aanleiding van het aangevangen WHOA-traject. Rabobank heeft aanspraak gemaakt op het creditsaldo van de onderneming ter hoogte van €79.399,42. Van dit bedrag is €67.530,98 overgeboekt naar een tussenrekening en voor het overige bedrag is een reservering aangebracht op de bankrekening van de onderneming.

Noodzaak afkoelingsperiode

De onderneming verwacht op korte termijn overheidssteun te ontvangen uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling. Daarnaast ontvangt zij mogelijke belastingteruggaves. Aangezien Rabobank is gestart met de uitwinning van haar zekerheden, is een afkoelingsperiode noodzakelijk om te kunnen beschikken over de te ontvangen gelden. Op deze manier kan de Rabobank het restant van het creditsaldo niet opeisen, waardoor de onderneming voldoende liquide middelen heeft om aan haar lopende verplichtingen te voldoen.

De rechtbank acht een afkoelingsperiode noodzakelijk, omdat ingrijpen van de Rabobank het herstructureringsproces kan verstoren. Met de opeising van het creditsaldo worden noodzakelijke liquide middelen ontnomen. Daarnaast wordt het moeilijk gemaakt om nieuwe overeenkomsten met handelscrediteuren aan te gaan. Hierdoor kan de onderneming de komende maanden mogelijk niet aan haar lopende verplichtingen voldoen en komt de continuïteit van de onderneming in gevaar. Door de afkoelingsperiode krijgt de onderneming ruimte om haar activiteiten voort te zetten tijdens de voorbereiding van het akkoord zonder dreiging van verhaalacties.

Aanvullende voorziening voor de afkoelingsperiode

Als aanvullende voorziening heeft de onderneming de rechtbank verzocht om de bevoegdheden van Rabobank als pandhouder te beperken gedurende de afkoelingsperiode, zonder dat de onderneming aanvullende zekerheden hoeft te geven. Als reden geeft de onderneming de beveiliging van de belangen van de twee aandeelhouders. Echter worden de belangen van de Rabobank als pandhouder worden geschaad als de aanvullende voorziening wordt toegewezen. Aangezien het belang van de Rabobank zwaarder weegt dan de belangen van de aanhoudeelhouders, wordt het verzoek voor een aanvullende voorziening afgewezen.

 

Conclusie

Een afkoelingsperiode wordt toegewezen als 1) blijkt dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de onderneming tijdens voorbereiding van het akkoord voort te blijven zetten, 2) de belangen van de gemeenschappelijke schuldeisers hierbij gediend zijn en 3) derden niet in hun belangen worden geschaad. In deze zaak is een afkoelingsperiode noodzakelijk omdat de kans reëel is dat de Rabobank haar pandrecht zal innen. Hierdoor zal de continuïteit van de onderneming in gevaar komen. Het beperken van de bevoegdheden van Rabobank als pandhouder is in strijd met punt 3. Doordat de zekerheidsgerechtigde positie van de Rabobank verslechterd.