Overzicht

Ongeoorloofde afwijking in rangorde schuldeisers

Ongeoorloofde afwijking in rangorde schuldeisers

Een WHOA-akkoord moet voldoen aan de wettelijk rangorde, waarin schuldeisers verhaal kunnen nemen op het vermogen van de schuldenaar. Van deze rangorde kan worden afgeweken, wanneer daar een redelijke grond voor is. Een slagerij die afweek van de wettelijke rangorde, bleek daar geen redelijke grond voor te hebben.

Klik hier voor de volledige uitspraak
Feiten

Een VOF exploiteert een slagerij. De slagerij is in financiële moeilijkheden gekomen, en bereidt een WHOA-akkoord voor. In het kader van het WHOA-akkoord is een klassenindeling voorbereid.

De Belastingdienst is de enige preferente schuldeiser. De overige schuldeisers betreffen niet-MKB schuldeisers en MKB schuldeisers. Wettelijk is bepaald dat schuldeisers in geval van een WHOA-akkoord niet slechter af mogen zijn dan in een faillissement. De Belastingdienst hanteert daarom als beleid, dat zij akkoord gaat met een WHOA-aanbod wanneer zij het dubbele percentage van een niet-MKB schuldeiser verkrijgt.

Interpolis is een van de schuldeisers van de slagerij. De vordering van Interpolis is echter buiten het akkoord om volledig betaald. De Belastingdienst heeft daarom aan de slagerij kenbaar gemaakt niet in te stemmen met het voorgelegde WHOA-aanbod, tenzij de door de Belastingdienst te ontvangen som wordt verhoogd.

De slagerij verzoekt daarom de rechtbank uitspraak te doen over de vraag of Interpolis een dwangcrediteur betreft en of daarmee de betaling geoorloofd was.

Standpunt slagerij

De slagerij stelt dat Interpolis de actieve verzekeraar is en daarom aan te merken als dwangcrediteur. Als zij Interpolis niet zou betalen, zou dat leiden tot een royement van de verzekering. Dit was mondeling door een contactpersoon van Interpolis medegedeeld. Indien de slager zou worden geroyeerd van de verzekering, zou dat betekenen dat een andere verzekeraar haar niet meer zou toelaten. Zonder verzekeraar was voortzetting van de slagerij niet mogelijk geweest. Een WHOA-traject zou in dat geval geen zin meer hebben.

Standpunt Belastingdienst

De Belastingdienst stelt dat de slagerij onterecht Interpolis als dwangcrediteur heeft aangemerkt. Het is volgens de Belastingdienst niet zeker of een royement van de verzekering aanstaande was. Ook is niet gebleken dat de slagerij zich dan niet ergens anders had kunnen verzekeren. Nu Interpolis geen dwangcrediteur was, geldt de volledige betaling van de vordering van Interpolis als een bevoordeling van een concurrente schuldeiser. Een dergelijke betaling is niet te accepteren.

De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat in beginsel niet afgeweken kan worden van de wettelijke rangorde, waarin schuldeisers verhaal mogen nemen op het vermogen van de schuldenaar. Afwijking is echter wel mogelijk, wanneer daarvoor een redelijke grond bestaat en de schuldeiser daardoor niet in haar belangen worden geschaad.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat bij het voorgenomen akkoord de rangorde niet correct wordt gevolgd. Interpolis is als concurrente schuldeiser immers volledig betaald, terwijl de Belastingdienst slechts een deel van haar vordering wordt aangeboden. De vraag is dan of voor deze afwijking een redelijke grond bestaat.

De rechtbank oordeelt dat deze redelijke grond er niet is. De slagerij heeft onvoldoende onderbouwd dat Interpolis als dwangcrediteur moet worden aangemerkt. Dat royement dreigde is slechts onderbouwd met de stelling dat een contactpersoon van Interpolis dat heeft gezegd. Die mededeling is niet te controleren. Ook is niet aangetoond dat royement zou leiden tot onverzekerbaarheid.

Wanneer de Belastingdienst tegen het akkoord zal stemmen, kan de Belastingdienst met recht een beroep doen op één van de afwijzingsgronden voor homologatie van het WHOA-akkoord. In dat geval zal het WHOA-traject niet slagen.

Conclusie

Een WHOA-akkoord moet voldoen aan de wettelijke rangorde waarin schuldeisers verhaal kunnen nemen op het vermogen van de schuldenaar. Afwijking van deze rangorde is mogelijk, mits hier een redelijke grond voor is. Deze redelijke grond moet voldoende worden onderbouwd.