Overzicht

Afwijzing homologatieverzoek

Afwijzing homologatieverzoek

Uit eerdere rechtspraak in het kader van de WHOA – die wij uiteraard hebben behandeld op allesoverwhoa.nl – blijkt dat verzoeken om aanwijzing van een herstructureringsdeskundige afgewezen kunnen worden als de onderneming die verzoekt om homologatie onvolledige of onjuiste informatie aanlevert. Maar ook het gehele verzoek tot homologatie kan uiteraard worden afgewezen. Op 3 september jl. gebeurde dit bij rechtbank Den Haag.

Klik hier voor de volledige uitspraak.
De feiten

De onderneming die het WHOA traject gestart is, heeft op 8 maart 2021 een startverklaring gedeponeerd en op 9 juli 2021 heeft de rechtbank een daaropvolgend verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode gehonoreerd. De afkoelingsperiode is gesteld op twee maanden. Vervolgens is op 2 augustus 2021 het stemverslag gedeponeerd. Daarna is op 19 augustus 2021 door de Rabobank een afwijzingsverzoek (art. 383 lid 8 Fw) ingediend. Stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders kunnen namelijk op basis van de wet een onderbouwd, schriftelijk verzoek indienen tot afwijzing van het homologatieverzoek.  

Rabobank stelt kort gezegd dat gebrekkige en onvoldoende informatie is verstrekt, de vordering van Rabobank niet juist is berekend, paulianeuze rechtshandelingen hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de start van het WHOA traject, dat Rabobank in faillissement een hogere uitkering zal ontvangen en dat de reorganisatiewaarde van de onderneming onjuist berekend is.

Rabobank verzoekt om die redenen om afwijzing van het homologatieverzoek. Zij wijst er onder meer op dat de verhaalsmogelijkheden van de bank zijn benadeeld, nu één of meer vervoersmiddelen zijn verkocht aan de bestuurder tevens aandeelhouder van de onderneming, waarna de koopprijs in rekening-courant is verrekend. Rabobank had een pandrecht op de vervoersmiddelen. Ook concludeert Rabobank op basis van haar bekende informatie dat zij in geval van faillissement een hogere uitkering zal ontvangen dan bij een akkoord. In dat geval mag zij wettelijk onder voorwaarden om afwijzing verzoeken (‘no creditor worse off’). Tenslotte is volgens de bank de reorganisatiewaarde onjuist berekend waardoor zij in het akkoord een te lage uitkering ontvangt, en zijn de handelscrediteuren volgens de bank zonder goede reden buiten het akkoord gelaten.

Beoordeling

De rechter overweegt dat de rechtbank het verzoek tot homologatie moet toewijzen, tenzij zich wettelijke afwijzingsgronden voordoen. Die afwijzingsgronden zien onder meer op de vraag of het besluitvormingsproces zuiver is geweest en dienen door de rechter te worden getoetst. Naar aanleiding van het bezwaar tegen homologatie, verricht de rechter een nadere toetsing.  

De rechter stelt in deze zaak vast dat geen lijst is aangeleverd waarop de stemgerechtigden bij naam worden genoemd, met vermelding van het bedrag van hun vordering, het nominale bedrag van hun aandeel en de mededeling in welke klasse(n) zij zijn ingedeeld.

Hoewel de onderneming heeft betoogd dat het door de coronapandemie lastig is de reorganisatiewaarde te berekenen, is onduidelijk hoe de onderneming tot haar prognoses is gekomen. Zij heeft ook geen waarderingsdeskundigen ingeschakeld. De rechtbank overweegt dat de onderneming een verplichting heeft om schuldeisers duidelijk te maken waarom de gekozen waarderingsmethode leidt tot een aanvaardbare uitkomst van de reorganisatiewaarde.

Met betrekking tot de liquidatiewaarde stelt de rechtbank vast dat de onderneming het doet voorkomen alsof alleen de liquidatiewaarde van de debiteuren en inventaris relevant is voor de bepaling van de liquidatiewaarde in faillissement, omdat het resterende bedrag door bepaalde roerende goederen zou worden gevormd die aan de Belastingdienst en Rabobank toekomen als separatisten in faillissement. De rechtbank overweegt dat dat geen juiste voorstelling van zaken is.

Aan de klassenindeling en toelichting daarop ontbreken essentiële onderdelen die vereist zijn voor voldoende inzicht. Ook zijn in een klasse de handelscrediteuren buiten het akkoord gelaten omdat dit ‘grotendeels dwangcrediteuren’ zouden zijn. Ook daarvoor ontbreekt een toelichting.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat de betrokken leasemaatschappijen zowel op basis van operational lease als financial lease werken en dat bij financial lease een pandrecht gevestigd wordt op goederen. De onderneming heeft ten onrechte niet het onderscheid gemaakt tussen de leasemaatschappijen in verschillende klassen schuldeisers; concurrente crediteuren (operational lease) en preferente crediteuren (financial lease).

Slotsom

De rechtbank sluit af met de overweging dat een akkoord niet alleen redelijk, maar ook transparant en zuiver hoort te zijn. De schuldeisers moeten immers een afgewogen keuze voor hun stem kunnen maken. Nu de informatievoorziening onvoldoende is en er geen duidelijk beeld is geschetst van de klassenindeling, de liquidatiewaarde, de reorganisatiewaarde en de allocatie daarvan, voldoet het voorgestelde akkoord niet aan de vereisten van art 384 lid 2 Fw en wijst de rechtbank op basis daarvan het verzoek tot homologatie af. Interessant is tenslotte dat de rechtbank zelf deze vaststelling doet en daarmee niet toekomt aan het verzoek tot afwijzing van het homologatieverzoek dat Rabobank heeft ingediend. Het blijkt dus opnieuw van essentieel belang om goede prognoses, waarderingen en een transparante klassenindeling te maken voor een WHOA traject.